05-05-2018 Het verhaal van Leen Sanders bij de Nationale Sportherdenking

AMSTERDM - Voorzitter Boris van der Vorst van de Nederlandse Boksbond heeft tijdens de Nationale Sportherdenking op 4 mei in het Olympische stadion uitgebreid stilgestaan bij het heldhaftig optreden van Leen Joshua Sanders in de oorlogsjaren. 

Leen, de bokser, oud middengewicht kampioen, leek in meerdere opzichten op Leen, de kampgevangene. Hoe zwaar de omstandigheden ook waren, hij wist altijd een manier te vinden om te overleven, en dan ook nog eens zonder zijn waardigheid te verliezen. Dit onderscheidde hem misschien nog het meest van het overgrote deel van zijn medegevangenen en opvallend was ook dat hij net zo veel waarde hechtte aan het leven van de anderen als dat van zichzelf. Dat deed hij al tijdens de twee jaar die hij doorbracht in dodenfabriek Auschwitz. Hierover later meer.

Boris van der Vorst legde tijdens de ceremoniële herdenking bij het beeld van Promotheus voor het Olympische Stadion samen met Raymon Blondel van NOC*NSF een van de vijf kransen neer, ter nagedachtenis aan de in de oorlog overleden sporters. Boksen was dit jaar als het centrale thema gekozen. Ook het bijzondere verleden van oud-Olympia-ganger en de latere scheidsrechter Ben Bril werd uitgebreid gememoreerd. Wat elk jaar, ditmaal op maandag 15 oktober, extra aandacht krijgt tijdens de alweer de twaalfde Ben Bril Memorial in het koninklijk theater Carré.

Leendert Sanders (geboren 21 juni 1908 in Rotterdam) werd op 11 januari 1943, samen met zijn vrouw Sellina en hun zoons Josua en David vanuit Westerbork naar Auschwitz gedeporteerd. Zijn vrouw wordt daar op 30 april 1943 vermoord, 32 jaar oud, en hun zoons worden bij aankomst in Auschwitz, op 14 januari 1943 vermoord, 10 en 8 jaar oud. 

Het drama is eigenlijk met geen pen te beschrijven. Hij had het geluk dat hij als oud-kampioen in Auschwitz werd herkend en al snel in de omstandigheid verkeerde vrij veel te kunnen betekenen voor andere gevangen.

Leen Sanders werd geregistreerd in blok 24 van Auschwitz. Al zijn hoofd- en lichaamshaar werd verwijderd door een Joodse blokkapper. In zijn linkerarm werd het nummer 86.764 getatoeëerd. Een kapo van de Arbeitskommando’s zei: "Zwijnen, jullie zijn in kamp Auschwitz-Birkenau. Vergeet dit nooit. Probeer niet te ontsnappen. Dat is onmogelijk en wie dat toch probeert, wordt onmiddellijk opgehangen, net als degenen die je probeerden te helpen. Geen Jood verlaat Auschwitz verticaal. De enige weg is door de schoorsteen. Gevangenen die niet goed genoeg werken krijgen vijfentwintig stokslagen op hun Arsch en degenen die sabotage plegen worden opgehangen. Houd jezelf schoon. Degenen die vlooien hebben gaan naar de gaskamer en sterven met de vliegen."

Een SS'er die hem had herkend als oud-kampioen, gaf hem een enigszins bevoorrechte functie in het kamp. Als Stubendienst regelde en distribueerde hij het eten, verdeelde de bedden, hield toezicht op de keuken en was verantwoordelijk voor het onderhoud van het blok. Hij gaf boksles aan de kok, bewakers en de blokoudsten. Zijn kennis maakte indruk en een nazi vroeg of hij ook wedstrijden wilde boksen. Sanders twijfelde, maar de SS’er adviseerde hem nadrukkelijk niet te weigeren en zijn Rotterdamse kennis Max Lezer zei: "Je moet het doen, Leen. Kunnen wij je ook aan het werk zien."

Winterhandschoenen
Zijn eerste wedstrijd was op een zondagmiddag tegen een Poolse officier. De SS’er voedde hem met extra brood en soep en hij mocht touwtje springen, joggen, schaduwboksen en sparren. Op zondag werd een ring op de appèlplaats geplaatst. SS’ers, kapo’s, blokoudsten en andere ‘Prominenten’ namen plaats op de eerste vier rijen. Joden waren niet welkom. Zeker is dat Sanders won. De hoofdprijs was extra brood of soep. Er werd met blote handen gevochten of met de winterhandschoenen van een SS’er.

De ex-leden van de verzetsgroep De Geuzen schreven onder meer:: “…toen de wanhoop nabij was kwam de redding in persoon van Leen Sanders met een gamel soep, brood en ondergoed en zorgde ervoor dat we iets schoons aan konden trekken en dat we de allesoverheersende honger enigszins konden stillen.

Later bleek ons dat, waar gevangenen in nood verkeerden, Leen Sanders op de bres stond om zoveel mogelijk leed te verlichten. Ook de Nederlandse vrouwen die in het experimentenblok 10 van dokter Mengele zaten heeft hij regelmatig van extra voedsel voorzien. Met grote risico’s en gevaar voor zijn leven heeft hij voedsel en kleding uit SS-verzorgingsafdelingen gestolen, verborgen en het kamp weten binnen te smokkelen.

Bill Minco werd als lid van verzetsgroep De Geuzen ter dood veroordeeld, maar kreeg op het laatste moment gratie en belandde via Mauthausen ernstig verzwakt in Auschwitz. Sanders hoorde dat er een Rotterdammer was aangekomen en in zijn memoires Koude Voeten schreef Minco: ‘ Ik stond nauwelijks een half uur bij blok 24, toen hij mijn naam vroeg en informeerde of ik honger had. Het was geloof ik de eerste keer dat iemand mij dat vroeg. Hij ging terug en kwam met een jongen uit de keuken terug en zij gaven mij een brood. Een brood! Ik weet niet wat er gebeurt. Na alle honger die ik geleden heb. Na alles wat er gebeurd is met me, een brood! En iemand die aan me dacht. Ik was vergeten dat dat bestond. Even opende de hemel zich, even had je het gevoel dat je toch een menselijk wezen was en dat er iemand met je meeleefde…"

Minco schreef in zijn boek: Kerst 1944, het einde”: “Dat ik Auschwitz overleefde, heb ik te danken aan Leen Sanders die me bij voortduring de hand boven het hoofd hield.Voor sommige mensen is ten onrechte geen standbeeld opgericht. Maar zijn naam en menselijkheid blijven in het hart van de weinige overlevenden gegrift.”

Koolsoep 
Het ochtendrantsoen voor de gemiddelde gevangene van Auschwitz was 200 gram zwart brood, een blokje margarine en schijfje worst. In de avond bleef het meestal bij een waterige kom koolsoep. In de keuken stal Sanders brood en na een overwinning in de boksring kreeg hij voedsel dat hij deelde met de minder bevoorrechte gevangenen. Het was een gevaarlijk spel dat hij speelde. "Zelfs bij die zogenaamde makkelijke baantjes werd je overleven bepaald door de grillen van de kapo’s en de soldaten," zei een Auschwitzoverlevende. Op het stelen van voedsel uit de keuken kon de doodstraf staan. Toch ging Sanders er mee door.

Minco sliep in zijn eerste dagen in blok 8a, vlak boven het onderkomen van Sanders. Tijdens elke ochtendwandeling gaf Sanders hem iets te eten ‘ en niet alleen dingen die hij heel goed kon missen, maar ook menigmaal wat waarvan hij zelf maar een beperkte hoeveelheid bezat .’ Ook regelde Sanders een licht baantje voor Minco als arbeider in munitiebedrijf Union en hij gaf ‘ vaak wat mee voor de vrouwen en meisjes van de munitiefabriek, waar ze dan heel erg blij mee waren. ‘

Andere Nederlandse joden hadden vergelijkbare ervaringen met Sanders. Zo schreef Louis de Wijze in Ontsnapping uit de dodenmars: "Twee dagen na het appèl wordt me opgedragen om in Block 28 een aantal dekens op te halen. […] Ik loop tussen Block 21 en de Wäscherei door naar de hoek van het kamp waar zich het gebouw bevindt voor de uitgave van goederen. Juist als ik me heb gemeld en men de dekens voor me gaat halen, stapt er uit het niets een gevangene op me toe. Hij is niet groot, maar de geblokte, gespierde gestalte verraadt de kracht die in dit lichaam moet schuil gaan. Hij oogt wat ouder dan ik. De vriendelijke ogen en het open gezicht boezemen me op slag vertrouwen in. “Hollander,” vraagt hij? Ik knik en vertel wie ik ben. Dan stelt hij zich voor. Tot mijn niet geringe verbazing blijkt hij Leen Sanders te zijn. Nadat ik mijn vrachtje dekens in ontvangst heb genomen, troont Leen me mee naar een rustig hoekje. ,,Zijn er nog meer Hollanders in jouw Block?” vraagt hij. Als ik hem vertel dat er nog enkele landgenoten in mijn bunker verblijven, zegt hij dat ik even moet wachten.

Snel verwijdert hij zich, maar is in een ommezien weer terug. Van onder zijn jas en uit zijn broek haalt hij, nadat hij zich er van heeft vergewist dat niemand ons kan zien, diverse etenswaren tevoorschijn. Ik kan mijn ogen niet geloven. Zelfs een paar appels zijn er bij! “Hoe…” Maar ik krijg de kans niet om mijn vraag af te maken. “Niets vragen,” zegt Leen, “je moet me alleen beloven dat je alles eerlijk met je vrienden zult delen.” Kennelijk blijf ik hem al die tijd verbaasd aangapen want hij zegt, terwijl hij op de heerlijkheden wijst: “Gewoon een kwestie van organiseren, jongen, gewoon een kwestie van organiseren.” Ik bedank Leen hartelijk en berg alles gauw tussen mijn kleren. Met een warme, vriendschappelijke handdruk neemt Leen afscheid en verdwijnt in de kampstraat.’ Bij terugkomst in zijn blok bracht De Wijze zijn Hollandse vrienden Eddy en Walter op de hoogte van zijn ontmoeting en in de avond zochten ze een donker hoekje op om het feestmaal op te eten. Met een gevulde buik gingen de drie slapen en jaren later schreef De Wijze: ‘Met het beeld van Leen Sanders nog voor ogen kruip ik onder mijn deken. Wat een prachtkerel! Voor het eerst in dit barre oord heb ik weer wat medemenselijkheid ontmoet…"

Boksen werd na 1945 een manier voor Leen Sanders om de oorlog te verdringen en op 18 april 1946 maakte hij op 37-jarige leeftijd zijn rentree in de ring. Extra levensmiddelen brachten hem op zijn vooroorlogse gewicht en in de Amsterdamse Apollohal won hij van Jan de Pauw. Het was zijn laatste officiële wedstrijd. Enkele maanden later hertrouwde hij met Henriette van Creveld. Het echtpaar ging wonen op Aruba en in 1954 verhuisden ze naar Californië. Als voorzitter van het Comité van ex-vervolgden zette Leen Sanders zich in om uitkeringen te regelen voor Nederlandse oorlogsslachtoffers in het buitenland en zo bleef hij ook na Auschwitz altijd denken aan de anderen. Vergeten werd hij nooit. Leen Sanders overleed 8 april 1991.

Deel dit via:

Krant Sport OS1936-280x373
Het bewaarnummer van het blad Sport van 8 september 1936, met een uitgebreid verslag van de Olympische Spelen in Berlijn.